Geschiedenis van de stad Grave

De skyline van de stad Grave omstreeks 1730
De skyline van de stad Grave omstreeks 1730

De vroegste periode
Over de tijd voordat Herman II van Cuijk zich omstreeks 1140 vestigde op de plaats waar de rivier de Raam in de Maas uitmondt hebben we geen informatie uit geschreven bronnen en daardoor zou men kunnen denken dat hij in een van mensen verlaten gebied terechtkwam. Dat is echter zeker niet waar. Het gebied waar later de stad Grave kwam te liggen was al duizenden jaren bewoond.

Stenen pijlpunten
Stenen pijlpunten

Uit opgravingen is gebleken dat kort na het einde van de laatste ijstijd (ca. 10.000 jaar geleden) in dit gebied al regelmatig groepjes (rendier)jagers hun tijdelijke kampen opsloegen. Deze jager-verzamelaars vonden hier een moerassig gebied doorsneden door meanderende rivieren, waar langs de oevers door aanslibbing hoge zandduinen waren ontstaan.
De sporen die deze mensen nalieten waren o.a. sporen van hun kampvuren, pijlpunten en andere stenen werktuigen.

Aardewerk uit late bronstijd (1000-800 v.Chr.)
Aardewerk uit late bronstijd
(1000-800 v.Chr.)

Ca. 6.000 jaar geleden begonnen de mensen zich toe te leggen op landbouw en veeteelt en werden hier op hoger gelegen plaatsen de eerste boerderijen gebouwd. Heel langzaam nam de bevolkingsdichtheid toe en ontstonden er kleine dorpjes. Dit lezen archeologen uit de gevonden sporen van huisplattegronden, aardewerk, gereedschappen, graven etc.

Romeinse munten
Romeinse munten

Tot de komst van de Romeinen (ca. 2.000 jaar geleden) is de bevolking van onze streek volledig anoniem en tot welke Germaans/Keltische stammen zij behoorden is onzeker. In aanmerking komen Eburonen en Menapiërs en na de vernietiging van de Eburonen door Caesar Bataven en Texuandri.
Zeker is dat ze door handel met de Romeinen steeds welvarender werden en daardoor nam de bevolkingsdichtheid verder toe.
De grotere welvaart blijkt o.a. uit muntvondsten en grafgiften.
Mogelijk heeft er op de plaats van de latere stad Grave een Romeinse versterking gelegen en was deze omgeven door een gracht.

Toen omstreeks 400 n.Chr. de Romeinen onze gebieden verlieten, verdween daarmee een belangrijk deel van de handel en raakte het gebied grotendeels ontvolkt.

De middeleeuwen
In de tijd van de Franken (Merovingers en Karolingers) die duurde van ca. 400 tot 900 kwam geleidelijk de welvaart weer terug, wat o.a. blijkt uit rijke grafgiften van een krijger (schild, zwaard, dolk en lans) en een vrouw (gouden sierraden) gevonden in Escharen.

In deze tijd ontwikkelde zich het 'leenstelsel', waarbij de leenheer de leenman grond en daarmee inkomsten gaf in ruil voor steun en diensten van de leenman bij b.v. gewapende conflicten. Iemand kon meerdere leenheren hebben.
De heren van Cuijk, die toen nog heren van (Gelder)Malsen heetten, hebben waarschijnlijk aan het einde van de 11de eeuw van de Duitse keizer het Land van Cuijk in leen ontvangen. Het gebied waar Herman II Grave stichtte hadden ze niet in leen maar in volle eigendom (allodium). Onbekend is wanneer en op welke manier zij dit eigendom verkregen hadden.

Bij een conflict tussen de broers Herman II en Godfried van Cuijk met Floris de Zwarte (broer van Dirk VI van Holland), vindt Floris in 1133 de dood. De Duitse keizer Lotharius III was hier zeer ontstemd over. Hij verbande Herman en Godfried en liet het Land van Cuijk en hun kasteel in Cuijk verwoesten.
Na de dood van Lotharius III keren de broers weer terug en sticht Herman II omstreeks 1140 de stad Grave en bouwt daar een nieuw kasteel.

Beeld van Jan I van Cuijk
Beeld van Jan I van Cuijk

Honderd jaar later ondergaat het kleine stadje onder het bewind van Jan I van Cuijk (ca. 1230 - 1308) grote veranderingen.
De St.Elisabethskerk, het Begijnhof en het St.Catharina's Gasthuis worden gesticht en de stad krijgt een aarden omwalling met daarop palissaden en de grachten worden verbeterd.
In deze periode vindt ook de eerst bekende aanval op de stad plaats. In 1286 wilde Reinoud van Gelder de stad veroveren maar werd hij verdreven door een Brabants leger.
Ongeveer twintig jaar later beschikte Grave over een stenen stadsmuur.
Misschien kreeg Grave in deze periode ook stadsrechten, maar dat is onzeker omdat eventuele stukken daarvan in 1415 bij de grote stadsbrand samen met het stadsarchief verbrand zullen zijn. Wel is er een zegel uit 1322 bewaard gebleven waarop staat 'SIGILLUM CIVETATIS GRAVIAE' wat 'zegel stad Grave' betekent, en ook in andere oorkonden werd Grave een 'stad' genoemd

Uit geldnood verpandde Otto van Cuijk in 1323 Grave aan de hertog van Brabant en ontving de stad tegelijkertijd in leen terug.

De oudst vermeldde belegering van de stad Grave vond plaats in 1386. Alhoewel Grave op dat moment een Brabants leen was had Wennemar van Cuijk toegestaan dat er Gelderse troepen in de stad gelegerd werden. Vergeefs belegerde hertogin Johanna van Brabant de stad. In 1388 deed ze een tweede poging, maar ook deze belegering had geen succes. Twee jaar later kreeg zij de stad na diplomatieke bemiddeling van de Franse koning uiteindelijk weer in handen.

In 1400 kreeg de Gelderse hertog Willem van Gullik Grave toch in bezit, maar nu als leenman van de hertog van Brabant, doordat Johanna van Cuijk, de dochter van Wennemar, al haar leenrechten aan Willem overdroeg en daarmee eindigde het bewind van de familie Van Cuijk over de stad Grave en begon dat van de hertogen van Gelre.

Middeleeuws glas en keramiek
Middeleeuws glas en keramiek

Bij de grote stadsbrand die in de St.Servaasnacht in 1415 uitbrak en vermoedelijk in een bakkerij ontstond brandden bijna alle huizen van de stad af.
In die tijd werden vrijwel alle huizen opgetrokken uit een raamwerk van houten palen met daartussen vlechtwerk van takken die werden bestreken met leem (zg. vakwerkbouw) en als dakbedekking gebruikte men riet. Allemaal zeer brandbaar materiaal dus.
Van de huizen uit deze tijd is bijna niets bewaard gebleven. Wel werden in de stad uit deze tijd op een diepte van twee meter brandsporen gevonden en 'keiwegen' die voorzien waren van afwateringsgoten. Veel voorwerpen die we uit deze tijd kennen zijn afkomstig uit afvalkuilen en beerputten.

In de strijd om de macht, die in het midden van de 15de eeuw woedde, tussen de Gelderse hertogen en het Habsburgse Huis, kwam Grave in de vuurlinie te liggen. In 1478 (of 1479) veroverde de Habsburgse aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk met een groot leger Grave. In 1479 wisten de Geldersen de stad bij verrassing te heroveren, maar een jaar later viel de stad na een korte belegering toch weer in handen van de Habsburgers.

Koning Filips II, de achterkleinzoon van Maximiliaan, verpandde in 1559 uit geldgebrek Grave en het Land van Cuijk aan prins Willem van Oranje, en daarmee ontstond een band tussen Grave en de Oranjes. Acht jaar later was Willem de stad echter al weer kwijt toen hij in conflict kwam met Filips II, en deze hem al zijn bezittingen en rechten in de Nederlanden afnam. Toen Filips de hertog van Alva met een groot leger naar ons land zond vluchtte Willem naar Duitsland.
Een jaar later (1568) begon de Tachtigjarige Oorlog.

De Tachtigjarige Oorlog
Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog bleef het Graafse stadsbestuur trouw aan de landsheer Filips II. Deze trouw duurde tot 1577.
Omdat Grave een belangrijke strategische stad was had Alva er een sterk Spaans garnizoen gelegerd. Dit garnizoen werd een bron van problemen voor het stadsbestuur en de bewoners. De kosten van de legering waren erg hoog en steeds braken er conflicten uit tussen bewoners en militairen. In 1577 wist men met behulp van een door Willem van Oranje gezonden compagnie Staatse soldaten zonder veel geweld het Spaanse garnizoen te verdrijven.

Strijd om Grave in 1586
Strijd om Grave in 1586

In de jaren die daar op volgden werden de vestingwerken van de stad aanzienlijk verbeterd en uitgebreid. Dit kon echter niet voorkomen dat de stad in 1586 na een beleg van ongeveer vier maanden en hevige artilleriebeschietingen door het leger van de prins van Parma weer in Spaanse handen viel.

In 1602 vond er opnieuw een machtswisseling plaats toen prins Maurits met een sterk Staats leger de stad na twee maanden strijd wist te veroveren.

Gedurende de rest van de Tachtigjarige Oorlog, die eindigde in 1648, werd er wel een aantal keren in de omgeving van de stad gevochten, maar vonden er geen belegeringen meer plaats.

Oorlog met Frankrijk
De rust die na het einde van de Tachtigjarige Oorlog intrad was van korte duur doordat de Franse koning Lodewijk XIV (de Zonnekoning) zijn macht wilde uitbreiden.
Veldgeschut
Model veldgeschut met schanskorven
(In bruikleen van
Vestingmuseum Naarden)

In 1672 (het Rampjaar) viel Lodewijk Nederland binnen. Grave kon hij zonder slag of stoot innemen doordat het Graafse garnizoen kort voor zijn komst door de Staten-Generaal naar 's Hertogenbosch gestuurd werd.

Nadat de Fransen de stad in bezit hadden genomen begonnen zij onmiddellijk de vestingwerken te versterken en vergroten. Dit deden zij overeenkomstig de adviezen van de beroemde Franse vestingbouwkundige Sébastien le Prestre seigneur de Vauban.

In opdracht van prins Willem III werd in 1674 een sterk leger naar Grave gezonden om de stad te heroveren.
Vier maanden duurde de belegering waarbij de stad langdurig werd beschoten en grote schade opliep.
Coehoorn mortier
Coehoorn mortier
(In bruikleen van
Genie Museum, Vught)

Vermoedelijk werd bij deze beschietingen ook gebruik gemaakt van de door Menno van Coehoorn bedachte draagbare Coehoorn mortier. Met dit krombaangeschut kon over de vestingwallen heengeschoten worden.
Nadat de Fransen gecapituleerd hadden verlieten zij op 28 okt. 1674 een stad waarvan de vestingwerken, het kasteel, vele huizen en andere gebouwen in puin lagen.

Omdat er nog steeds oorlogsdreiging was werden van 1680 tot 1689 de vestingwerken van Grave geheel vernieuwd, waarbij het Graafs kasteel gesloopt werd en op de rechter Maasoever het kroonwerk De Coehoorn werd aangelegd.

Nadat in Frankrijk de revolutie had plaatsgevonden en koning Lodewijk XVI was onthoofd vielen de Fransen in 1793 ons land opnieuw binnen.
In 1794 verschenen de Fransen voor de stad Grave, waarvan de verdediging onder leiding stond van generaal Andreas de Bons. Na twee maanden van strijd moest De Bons capituleren en namen de Fransen de stad in.
Twintig jaar lang bleven de Fransen heer en meester in de stad totdat, nadat keizer Napoleon in 1814 afstand had gedaan van de troon, de Franse troepen de stad verlieten.

Het einde van Grave als vestingstad
Omvang vestingwerken
Omvang vestingwerken

In de jaren die volgden besloot de regering van Nederland, dat inmiddels een koninkrijk was geworden, het Nederlandse vestingstelsel geheel te herzien.
De gevolgen daarvan werden vastgelegd in de 'WET van den 18den April 1874, tot regeling en voltooijing van het vestingstelsel'.

Artikel 4 van deze wet luidt:
De vestingwerken in de provincien Friesland en Groningen, de vestingwerken van Deventer, Zutphen en Elden, de vesting Grave met het kroonwerk Coehoorn, de vestingwerken van en bij Nijmegen, met uitzondering van het fort Kraijenhof en de forten boven en beneden Lent, de vesting 's Hertogenbosch en de vestingwerken bij Breskens zijn als verdedigingswerken opgeheven.

Meer dan 700 jaren was er veel ge- en verbouwd aan de vestingwerken van Grave omdat nieuwe belegeringstechnieken en nieuw wapentuig dat noodzakelijk maakten. Vooral de komst van steeds sterkere kanonnen dwong tot uitbreiding omdat men de vijand zo ver mogelijk bij de stad vandaan wilde houden. Aan deze ontwikkeling was nu een einde gekomen.

Voor Grave betekende deze wet de sloop van het grootste deel van de vestingwallen en -grachten. Hierbij werden o.a. ook de Maaspoort en de Brugpoort gesloopt. Door deze afbraak kreeg de stad een heel ander aanzien en werd een meer open stad.

De afgelopen eeuw
In 1929 kwamen de rijksweg en de brug over de Maas gereed. Dit had voor Grave positieve en negatieve gevolgen. Positief was de snellere verbinding met Nederland ten noorden van de Maas. Negatief was dat voor de rijksweg een groot deel van de nog resterende vestinggracht moest verdwijnen.

John S. Thompsonbrug
John S. Thompsonbrug

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog hebben de verdedigers van de Maasbrug twee brugdelen opgeblazen om de opmars van de Duitse troepen te bemoeilijken. (In de loop van 1941 was de brug weer geheel hersteld.)
Verder kwam Grave gelukkig de Tweede Wereldoorlog vrijwel onbeschadigd door, ook toen tijdens Operatie Market Garden de geallieerden met een luchtlandingsactie de Maasbrug bij verrassing wisten veroverden. Sinds 2004 is de brug vernoemd naar de Amerikaanse luitenant John S. Thompson die op 17 september 1944 met zijn peloton als eerste de brug wist te bereiken.

In 1942 werden de kerkdorpen Escharen en Velp bij de gemeente Grave gevoegd.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er in Grave en omgeving meer werkgelegenheid, werden rondom de oude stad een aantal nieuwbouwwijken aangelegd, nam het aantal inwoners sterk toe en werd in 1994 ook Gassel bij de gemeente Grave gevoegd.

Meer geschiedenis
Wilt u meer lezen over de geschiedenis van de stad Grave, ga dan naar de pagina Museumwinkel.

De huidige skyline van de stad Grave
De huidige skyline van de stad Grave

Wandeling door de stad Grave begeleid door een gids Laatst gewijzigd: 29-sep-2006 Het schuttersgilde De Cloveniers